McCann door de Portugese politie als verdachten werden bestempeld, naar
Engeland terugkeerden en daar nogmaals ontkenden, vroeg De Telegraaf de
bezoekers van zijn site wat ze daarvan vonden. Er kwamen tientallen reacties,
en de meeste kwamen hierop neer: wat vreselijk dat die ouders hun eigen kind
hebben vermoord, en: je ziet aan haar ogen dat die moeder niet deugt.Ander voorbeeld. Een maand of twee geleden stond op GeenStijl.nl,
het groepsblog met een scherp oog voor nieuws dat de mensen raakt, een bericht
uit de wereld van het openbaar bestuur. Een onderzoek onder griffiers had
uitgewezen dat er in gemeenteraden en provinciale Staten tussen de 17 en 58
‘spookleden’ zitten: mensen die wel zijn gekozen, maar nooit komen
opdagen. Binnen een paar uur stonden er 40 reacties op de site. Allemaal
mensen die diep verontwaardigd waren over de klaplopers die van hun
belastingcenten worden betaald.Zouden die reacties net zo fel zijn geweest als GeenStijl ook de laatste
regel van het persbericht van de Vereniging van Griffiers had geciteerd? Daar
stond namelijk dat het totale aantal staten- en raadsleden ongeveer
tienduizend bedraagt, en dat het aandeel van de spookleden dus tussen de 0,2
en 0,6 procent ligt. Maar dat zijn nuances die de pret alleen maar bederven.
Elke burger met een internetaansluiting kan nu zijn interpretatie van de
werkelijkheid op het net zetten en zo lucht geven aan zijn verontwaardiging.
Iedereen kan zijn recensie posten, zijn weblog publiceren of zijn filmpje
uploaden in de grenzenloze wereld van wat wel Internet 2.0 wordt genoemd. Heel
wat mediadeskundigen vinden dat niet alleen een onomkeerbare, maar ook een
zegenrijke ontwikkeling (zie kader links). Eindelijk zijn de media
gedemocratiseerd!
Te midden van die positieve geluiden is het boek van de Amerikaanse Brit
Andrew Keen een dissonant. In The Cult of the Amateur zet hij uiteen waarom
hij de democratisering van de media een rampzalige ontwikkeling vindt.
Interessante dingen hoor je op al die discussiefora niet, zegt Keen, en wat
erger is: de waarheid wordt er het slachtoffer van, want daarover mag iedereen
nu meestemmen. Zie Wikipedia, de internet-encyclopedie waar alle geïnteresseerden
zich mee bemoeien – tot en met de leden van de koninklijke familie.
Tegelijkertijd, vindt hij, wordt het gezag van experts steeds verder
ondermijnd – zie de Encyclopaedia Britannica, waaraan Albert Einstein, Marie
Curie en George Bernard Shaw nog hebben meegewerkt, maar die nu redacteuren en
fact-checkers moet ontslaan omdat de meeste mensen liever in een gratis
encyclopedie kijken.
Het probleem is, zegt Keen, dat de interdemocratie zover is doorgeschoten
dat de woorden van een wijs man nu niet meer waard zijn dan het gestamel van
een dwaas. En een van de gevolgen daarvan is dat de organisaties die nog wél
experts in dienst hebben, zoals kranten, te kampen krijgen met steeds grotere
exploitatieproblemen.
Wie gaat straks de internetvarianten van Bob Woodward en Carl Bernstein
betalen? Wie neemt nog de opvolgers van Thomas Friedman in dienst, columnist
van The New York Times, of van Robert Fisk, correspondent van The Independent?
Zij hebben hun grote kennis van het Midden-Oosten niet verkregen door er over
te bloggen, maar doordat ze jaren in de regio hebben doorgebracht.
Als doorgaat wat zich nu al zo duidelijk aftekent – dat de toekomst van
kranten steeds meer op internet zal komen te liggen – zal het betalen van
bijzondere kennis en het investeren in diepgravende journalistiek steeds
moeilijker worden.
We verwennen amateurs, zegt Keen, en we ondermijnen het gezag van experts.
Professionele boek- en filmbesprekers leggen het af tegen de
internetrecensenten op Amazon.com, terwijl niemand weet of de recensie
misschien afkomstig is van de tante van de schrijver, of van iemand die met de
auteur nog een appeltje had te schillen. Het grappige filmpje van een paar
voetballertjes op YouTube kan van een scholier zijn, maar misschien is het wel
onderdeel van de viral marketing van Nike. Op internet weet je het niet, want
iedereen heeft een schuilnaam.
Keen schrijft meeslepend en zijn betoog is goed gedocumenteerd. Hier en
daar geeft hij zich te veel over aan nostalgie, bijvoorbeeld wanneer hij de
lof zingt van de ouderwetse platenzaak – waar de verkopers allemaal
muziekkenners zijn die je waardevolle tips geven. Dat soort zaken is in
werkelijkheid altijd heel zeldzaam geweest, en voor de meeste
muziekliefhebbers is met Amazon.com en zijn navolgers een schatkamer
opengegaan. Maar dat doet niets af aan het belang van Keens noodkreet: de
experts zijn het van de amateurs aan het verliezen.
Als we de Amsterdamse mediatheoreticus Geert Lovink moeten geloven is die
strijd een van de onvermijdelijke bijproducten van de historische fase waarin
we nu eenmaal verkeren. In een artikel in een nogal ondoordringbare aflevering
van het cahier Open signaleert hij het nihilisme van de bloggers: ze zijn
‘de niksers die staan te juichen bij de dood van de gecentraliseerde
kennisstructuren’. Lovink wil die niksers niks verwijten. Ze documenteren
alleen maar de ‘afnemende macht van de gevestigde media’. Het is nu
eenmaal ‘kil inzicht in de postpolitieke conditie’ dat hen beweegt.
Sterker nog, in de eindeloze stroom confessies, in de ‘kosmos van
micro-meningen’ die de bloggers aanleveren wordt naar een verklaring van
gebeurtenissen gezocht ‘zonder terug te vallen op de welbekende categorieën
van de twintigste eeuw’.
Zou het werkelijk waar zijn? Zeker, er zijn bloggers die oorspronkelijke
geluiden laten horen, en het is waar, met ‘oude politiek’ hebben de meeste
bloggers weinig op. Maar in hun micro-meningen en confessies tiert de rancune
en het leedvermaak welig, en met al hun kille inzicht slagen ze er toch in
veel ouderwets aandoend negativisme te produceren.
Het is precies dat punt dat de de productieve Amerikaanse jurist Cass
Sunstein zorgen baart. In zijn boek Republic.com 2.0 wijst hij op de
radicaliserende tendensen van het net. Wie een plek zoekt waar zich alleen
gelijkgezinden ophouden, vindt op internet gemakkelijk onderdak. Een
traditionele krant, zegt Sunstein, verrast je met nieuws waar je helemaal niet
naar op zoek was, maar het gepersonaliseerde nieuws dat allerlei bedrijven op
het net aanbieden – van The New York Times tot Google – doet dat niet. Zie
ook het vergelijkbare mechanisme van de kooptips van Amazon.com: ‘de mensen
die dit boek kochten, kochten ook: …’.
De kans op verrassingen en nieuwe gezichtspunten neemt zo af, helemaal als
de mensen hun toevlucht zoeken bij de weblogs die zich specialiseren in
geharnaste standpunten en overtuigingen. Sunstein laat zien dat vanuit dat
soort sites vrijwel alleen naar sites wordt verwezen die een ‘bevriend’
standpunt uitdragen. Als er een enkele keer naar andersdenkenden wordt gelinkt,
dan is dat meestal met de bedoeling hen belachelijk te maken. De publieke
ruimte wordt zo verkaveld in reservaten waarin de stemming steeds extremer
wordt.
Het is een van de paradoxen van internet: een massamedium waartoe meer dan
een miljard wereldburgers toegang hebben, dreigt een medium van niches te
worden.
Sunstein kritiseert Chris Anderson, hoofdredacteur van internetmagazine
Wired en auteur van de internetklassieker The Long Tail (2006). Anderson zingt
in dat boek de lof van de consumentensoevereiniteit. Dankzij internet, zegt
hij, is er voor elke individuele smaak nu een markt en worden ook de
liefhebbers van incourante producten goed bediend. Zie Amazon dat een groot
deel van zijn omzet haalt uit de verkoop van winkeldochters. Sunstein brengt
daar tegenin dat consumentensoevereiniteit een mooi uitgangspunt is, maar niet
in de wereld van de politiek, niet in het democratische domein. Daar moet je
blootgesteld worden aan andere gezichtspunten en opinies, ook als je daar
misschien niet op uit bent.
Maar hoe moet dat gebeuren? Net als Keen geeft Sunstein weinig remedies.
Maar je kunt er wel dit van zeggen: tussen alle juichende verhalen over
bloggers, wiki’s, ‘user generated content’ en de overige wapenfeiten van
internet 2.0, zijn hun boeken nuttige tegengeluiden. Want hoe revolutionair
het bloggen ook is – voor het eerst in de geschiedenis heeft de massa toch
maar toegang tot een massamedium gekregen – je kunt vaststellen dat de
resultaten voorlopig niet meevallen. Misschien is het meest teleurstellende
van het bloggen wel dat van het aandragen van nieuwe feiten, van nieuwe
perspectieven nog weinig sprake is. Een echte ‘burgerjournalistiek’
bestaat nog niet.
Het zijn vooral meningen, getuigenissen, veroordelingen. Interessant, daar
niet van, maar tot uitwisseling en debat komt het niet. De scheldkanonnades en
de beledigingen willen nog wel eens de overhand hebben – en je kunt niet
uitsluiten dat menig weldenkend mens er daardoor van weerhouden wordt om ook
eens een voorzichtig opmerkinkje op GeenStijl te plaatsen.
Jammer, maar tegelijkertijd een steun in de rug van instellingen die de
publieke sfeer een warm hart toedragen: kranten, tijdschriften, de publieke
omroep, het onderwijs, politieke partijen, non-gouvernementele organisaties.
Inderdaad, de mainstream media en de gevestigde instellingen. De democratie
kan voorlopig niet zonder ze.
Uit NRC Handelsblad 11 januari 2008





